Becoming Interdependent
De hedendaagse stad is grotendeels ingericht rond gescheiden functies en individuele consumptie: wonen hier, werken daar, zorgen ergens anders. Becoming Interdependent keert die logica om. Wonen wordt niet langer gezien als het bezit van een geïsoleerde ruimte, maar als een gedeelde conditie. Tussenruimtes, collectieve drempels, gedeelde voorzieningen en aanpasbare structuren maken dan andere vormen van samenleven mogelijk. De architectuur bepaalt niet langer vooraf hoe mensen moeten leven, maar schept de voorwaarden waaronder gemeenschappen zichzelf kunnen organiseren en ontwikkelen.
Wie in het late voorjaar van 2026 de kustweg ten noorden van Barcelona volgde, kwam uit bij een voormalige energiecentrale: Tres Xemeneies, drie schoorstenen die nog altijd boven de skyline uitsteken. In de kolossale turbinehal kwamen tijdens het UIA World Congress of Architects 2026 architecten, onderzoekers en honderden net afgestudeerden samen rond één vraag. Architectuur wordt vaak voorgesteld als het vermogen om de toekomst vorm te geven. Maar wat gebeurt er wanneer die toekomst niet langer kan worden benaderd als een helder afgebakend project, met een begin, een einde en een voorspelbaar resultaat? Dat is de centrale vraag achter ‘Becoming: Architectures for a Planet in Transition’, het inhoudelijke kader van het congres.
De titel ‘Becoming’ verwijst naar een architectuur die niet vertrekt vanuit stilstand of voltooiing, maar vanuit verandering. Klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en groeiende ongelijkheid maken duidelijk dat de gebouwde omgeving niet langer kan worden ontworpen alsof de wereld een stabiele achtergrond vormt. Architectuur bevindt zich midden in een planetaire transitie en moet leren handelen binnen onzekerheid, conflict en voortdurende verandering.
Daarmee neemt het congres afstand van architectuur als geïsoleerde discipline. Ontwerpen is niet alleen een kwestie van vorm, materiaal en programma, maar ook van politieke keuzes, sociale verhoudingen en ecologische consequenties. De vraag is niet uitsluitend wat we bouwen, maar ook: voor wie, met welke middelen, onder welke voorwaarden en met welke gevolgen?
Zes onderzoekslijnen
De zes onderzoekslijnen van het congres, Becoming More-than-human, Becoming Circular, Becoming Embodied, Becoming Interdependent, Becoming Hyper-conscious en Becoming Attuned, vormen samen geen nieuwe stijl of methode. Ze bieden eerder verschillende perspectieven op de vraag hoe architectuur zich kan verhouden tot een wereld die onder druk staat. De gemene deler is een verschuiving: van het afzonderlijke gebouw naar de relaties waarin dat gebouw functioneert.
Die verschuiving is fundamenteel. Een gebouw is nooit alleen een zelfstandig object. Het maakt deel uit van een netwerk van grondstoffen, arbeid, energie, regelgeving, eigendom, mobiliteit en gebruik. Het beïnvloedt de manier waarop mensen elkaar ontmoeten, hoe zorg wordt georganiseerd en welke vormen van leven mogelijk worden gemaakt of juist uitgesloten. Ook landschappen, dieren, planten, waterstromen en atmosferische processen behoren tot dat netwerk.
Het congres stelt daarmee een klassieke aanname ter discussie: dat architectuur neutraal zou kunnen zijn. Ruimte is nooit louter een decor. Zij verdeelt toegang, zichtbaarheid, veiligheid en zeggenschap. Een straat, woning, instelling of infrastructuur kan sociale relaties ondersteunen, maar ook controle en uitsluiting versterken. Elke ruimtelijke ingreep is daarom tevens een politieke positionering.
In een reeks verslagen behandel ik enkele van deze zes onderzoekslijnen. Deze eerste gaat over Becoming Interdependent: hoe ontwerp je een ruimte die relaties tussen mensen activeert, in plaats van ze te reguleren of te scheiden.
De betekenis van interdependentie
Binnen dit brede kader neemt ‘Becoming Interdependent’ een bijzondere plaats in. De curatoren hadden er zelf een term voor: interdependence, de onderlinge afhankelijkheid tussen vakgebieden, perspectieven en gebeurtenissen. Diezelfde term vormde het uitgangspunt van de voorbereidende workshops in Tres Xemeneies, waar architectuurstudenten en net afgestudeerden van over de hele wereld een week lang meewerkten met landbouwers, grondeigenaren en lokale gemeenschappen. Concreet gaat het om ontwerpen voor afhankelijkheid in plaats van autonomie: welke ruimtelijke ingrepen laten mensen daadwerkelijk op elkaar aangewezen zijn? Het begrip klinkt op het eerste gezicht misschien vanzelfsprekend. Toch heeft de moderne architectuur lange tijd vooral het autonome individu en de zelfstandige wooneenheid centraal gesteld.
In de meeste steden zijn wonen, werken, zorgen en ontspannen strikt van elkaar gescheiden, elk toegewezen aan een eigen functie en aangestuurd door individuele consumptie. De woning is gereduceerd tot een private eenheid en bovendien steeds vaker tot een financieel product. De openbare ruimte wordt vervolgens geacht de sociale samenhang te herstellen die door deze fragmentatie verloren is gegaan.
‘Becoming Interdependent’ keert die logica om: wonen is niet langer het bezit van een geïsoleerde ruimte, maar een gedeelde conditie. In die omkering doen tussenruimtes, collectieve drempels, gedeelde voorzieningen en aanpasbare structuren er ineens toe, niet als bijzaak, maar als de plekken waar samenleven vorm krijgt. De architectuur legt dan niet langer vast hoe mensen moeten wonen, maar ontwerpt de voorwaarden waarbinnen bewoners dat zelf kunnen uitvinden.
Voorbeelden als La Borda in Barcelona, een coöperatief woonproject van Lacol, laten zien dat dit geen abstracte theorie hoeft te blijven. In dit project verschuift het accent van individuele eigendom naar collectief beheer, van consument naar deelnemer en van het afgewerkte gebouw naar een sociaal proces dat zich door de tijd heen ontvouwt.
Het congresthema stelt daar vier andere manieren van ontwerpen tegenover, die door de onderzoeken en essays in het congresboek heen lopen.
Zorg als ruimtelijk vraagstuk
Een belangrijk onderdeel van deze benadering is de herwaardering van zorg. Zorg wordt daarbij niet beperkt tot de medische of sociale sector, maar opgevat als een fundamentele ruimtelijke praktijk. Wie zorgt voor kinderen, ouderen, zieken, buren, planten of de publieke ruimte? Waar gebeurt dat, onder welke omstandigheden en wie draagt de verantwoordelijkheid? De historische scheiding tussen productieve en reproductieve ruimte heeft het onbetaalde werk van huishoudens grotendeels aan het zicht onttrokken. Werk vond plaats in de fabriek of op kantoor; zorg en huishoudelijk werk werden naar de privésfeer verwezen. Die ruimtelijke scheiding was nooit neutraal. Zij bevestigde een ongelijke verdeling van tijd, macht en economische waarde.
Anders ontwerpen betekent daarom ook deze scheiding ter discussie stellen. Productie en reproductie kunnen dichter bij elkaar worden gebracht. Voorzieningen kunnen worden gedeeld. Nabijheid kan opnieuw worden georganiseerd. Wat lange tijd als privé en onzichtbaar werd beschouwd, kan onderdeel worden van het publieke gesprek en van het ontwerp van de stad. Dat vraagt om een architectuur die niet alleen efficiëntie en rendement nastreeft, maar ook aandacht, rust, toegankelijkheid en wederkerigheid. Een zorgzame ruimte hoeft niet zacht of vrijblijvend te zijn. Zij kan juist duidelijke collectieve afspraken en verantwoordelijkheden organiseren.
Rural Urban Framework herdacht in Fujian, China, wat een dorpsgemeenschap letterlijk gemeenschappelijk bezit, met een gebouw dat functies deelt in plaats van ze op te knippen in aparte voorzieningen. RMA Architects koos een andere invalshoek met het bezoekerscentrum van het CSMVS-museum in Mumbai: een plek die het publieke en het institutionele in elkaar laat overlopen. MA10 bouwde in Roemenië een kinderopvang omringd door dertienhonderd planten, en Estudio Herreros ontwierp in Oslo een openbare sauna. De projecten delen het idee dat zorg, of dat nu om kinderen, bezoekers of gewoon een mens gaat, in het weefsel van een gebouw hoort te zitten.
Ontwerpen binnen onzekerheid
De projecten en onderzoeken die in Barcelona worden gepresenteerd, vertrekken niet vanuit een schone lei. Zij spelen zich af in bestaande, vaak beschadigde en tegenstrijdige situaties. Dat is een belangrijk verschil met veel architectonische verbeeldingen van de toekomst, waarin nieuwe werelden worden voorgesteld. De deelnemers aan het congres werken juist met wat er al is: bestaande gebouwen, lokale kennis, sociale netwerken, restmaterialen, conflicten en ecologische kwetsbaarheden. De ontwerppraktijk wordt zo een vorm van onderzoek. Maquettes, kaarten, scenario’s en tijdelijke interventies zijn niet alleen representatiemiddelen, maar instrumenten om samen te denken en alternatieven uit te proberen.
Die houding vraagt om bescheidenheid. De architect is niet langer de solitaire auteur die een definitieve oplossing presenteert, maar een van de actoren in een proces waarin bewoners, opdrachtgevers, overheden, gebruikers, vakmensen en niet-menselijke levensvormen een rol spelen. Ontwerpen wordt onderhandelen, luisteren, verbinden en soms ook ruimte laten voor onbeslistheid. Dat betekent niet dat architectuur haar zeggingskracht verliest. Integendeel: haar betekenis verschuift van het produceren van iconische objecten naar het activeren van mogelijkheden. Een goed ontwerp kan een latente potentie zichtbaar maken, een gesprek openen of een systeem zodanig veranderen dat nieuwe vormen van gebruik en eigenaarschap ontstaan.
Projecten met dit thema laten zien dat het wonen weigert een geïsoleerde eenheid te zijn. Peris + Toral bouwde in Barcelona het Social Atrium: een verwarmde, gedeelde binnenruimte die het hart van het gebouw vormt in plaats van decor. H arquitectes onderzocht hetzelfde principe in Gavà, bij sociale huurwoningen waar tussenruimtes bewoners dwingen elkaar tegen te komen. MAIO voegde in Sant Feliu de Llobregat veertig sociale huurwoningen toe die bewust afstand nemen van de standaard woningplattegrond.
Barcelona als laboratorium
Barcelona is voor deze discussie geen toevallige locatie. De stad draagt een rijke geschiedenis van collectieve stedelijke organisatie, maar wordt ook geconfronteerd met toeristische druk, stijgende woonlasten, klimaatstress en de privatisering van publieke ruimte. De combinatie van historische gelaagdheid en actuele stedelijke conflicten maakt de stad tot een overtuigend laboratorium.
Ook het onderzoek van La Borda, dat we hierboven al noemden, past in dat beeld. De coöperatieve woonvorm werkt met een erfpachtmodel waarin bewoners samen beslissen over gedeelde was- en werkruimtes en een logeerkamer die niemand privé hoeft aan te houden. Clauss Kahl Merz Atelier paste in Basel, bij het project Lyse-Lotte, diezelfde onderhandelingslogica toe: geen architect die eenzijdig een eindbeeld oplegt, maar een proces waarin bewoners meebepalen wat er wordt gebouwd en hoe het zich ontwikkelt.
Een andere beroepsopvatting
De belangrijkste bijdrage van ‘Becoming Interdependent’ is misschien wel dat het architectuur opnieuw definieert als een gedeelde praktijk. Niet als een autonome discipline die van buitenaf vormgeeft aan de samenleving, maar als een praktijk die zelf onderdeel is van sociale, ecologische en economische verhoudingen.
Dat inzicht heeft directe gevolgen voor het vak. Het stelt vragen over eigendom, opdrachtgeverschap, participatie, arbeid en verantwoordelijkheid. Het vraagt ook om andere criteria voor kwaliteit. Niet alleen schoonheid, functionaliteit of technische prestaties zouden moeten tellen, maar ook de vraag of een ontwerp relaties versterkt, kwetsbaarheid vermindert en ruimte laat voor toekomstige toeeigening.
Architectuur kan de wereld niet in haar eentje redden. Zij kan evenmin alle conflicten oplossen die in ruimte besloten liggen. Maar zij kan wel zichtbaar maken hoe afhankelijkheden functioneren en helpen om ze anders te organiseren. Zij kan plekken scheppen waar mensen elkaar ontmoeten, waar zorg gedeeld wordt en waar collectieve zeggenschap daadwerkelijk vorm krijgt.
Raumlabor ontwierp in Düsseldorf Third Space: tijdelijke structuren die bewust onduidelijk laten wie de ruimte precies mag gebruiken, zodat gebruikers dat onderling moeten uitvechten. Teca Studio liet met het Kasugadai Center in Kanagawa zien dat het ook zonder vaste regie kan: een gebouw dat conflict, spel en onderhandeling toelaat in plaats van dichttimmert met een vast programma. Precies dat gesprek, soms ongemakkelijk, lijkt voor ‘Becoming Interdependent’ geen bijverschijnsel maar het doel.
In die zin is ‘Becoming Interdependent’ geen eindbeeld, maar een werkwoord. Het verwijst naar architectuur als een voortdurende oefening in samenleven. Haar toekomst ligt misschien minder in de spectaculaire vorm dan in het vermogen om verbindingen te herstellen: tussen mensen, tussen generaties, tussen stad en landschap, en tussen het menselijke en het meer-dan-menselijke. De radicale ambitie van het congres is uiteindelijk eenvoudig: architectuur inzetten voor onverwachte, rechtvaardige en vreugdevolle manieren van samenleven.
Gebaseerd op de publicatie “Becoming…, Architectures for a Planet in Transition” van het UIA World Congress of Architects 2026 Barcelona (curatoren Pau Bajet, Mariona Benedito, Maria Giramé, Tomeu Ramis, Pau Sarquella, Carmen Torres), berichtgeving over het congres en verslagen van deelnemers (28 juni – 2 juli 2026). Volgende verslagen in deze reeks behandelen enkele overige Becoming-thema's.
Meer van dit? Kijk op Herderfactory.nl